Verkeersregels

Autoverlichting: het correcte gebruik

Welk licht je gebruikt hangt af van het tijdstip en hoe ver je kunt zien. Dit is wanneer dimlichten, grootlichten en mistlichten aan of uit moeten.

Kort samengevat: je dimlichten gaan aan zodra je minder dan 200 meter ver ziet (en altijd ’s nachts en in tunnels), grootlichten gebruik je enkel in het donker zonder iemand te verblinden, en het rode achtermistlicht moet aan bij mist of sneeuw onder 100 meter en bij felle regen. Niet-toegelaten sierverlichting is tijdens het rijden verboden.

Dagrijlichten

Dagrijlichten gaan automatisch aan bij het starten van de motor en maken je auto overdag zichtbaar. Ze doven zodra je de dimlichten inschakelt.

Dimlichten

Auto met dimlichten op een donkere straat
Dimlichten verlichten de weg zonder tegenliggers te verblinden.

Dit zijn de standaardlampen die tegenliggers niet verblinden. Ze zijn verplicht tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, altijd in tunnels, en overdag zodra het zicht door de weersomstandigheden onder de 200 meter zakt.

Grootlichten

Grootlichten (verstralers) gebruik je enkel in het donker bij onvoldoende zicht. Je dooft ze meteen en schakelt over op dimlichten:

Auto met grootlichten op een donkere straat
Grootlichten reiken verder, maar verblinden anderen.
  • Zodra een tegenligger nadert.
  • Wanneer je op minder dan 50 meter achter een voorligger rijdt (behalve tijdens het inhalen).
  • Wanneer de straatverlichting onafgebroken voor een zicht van ongeveer 100 meter zorgt.
Grootlichten zijn nooit verplicht.

Mistlichten

Verkeer in dichte mist op de snelweg
Bij zicht onder 100 meter zijn de achtermistlichten verplicht.

Achtermistlichten (felle rode lichten) zijn verplicht bij mist of sneeuwval die het zicht beperkt tot minder dan 100 meter, en bij felle regen. In alle andere situaties moeten ze uit blijven, want ze verblinden je achterligger.

Auto met voormistlichten aan vooraan
Voormistlichten mogen aan bij mist, maar zijn nooit verplicht.

Voormistlichten mag je gebruiken bij mist, sneeuw of felle regen, maar ze zijn in België nooit verplicht.

Standlichten en parkeerlicht

Staat je auto geparkeerd op een openbare weg waar de straatverlichting onvoldoende is om je voertuig vanaf 100 meter te zien, dan schakel je de standlichten in. Binnen de bebouwde kom mag je die vervangen door één parkeerlicht aan de kant van de rijbaan, op voorwaarde dat je auto parallel met de wegrand staat en zonder aanhangwagen.

Veelgestelde vragen

’s Nachts, altijd in tunnels, en zodra je overdag minder dan 200 meter ver ziet.

Bij mist of sneeuw die het zicht onder de 100 meter brengt, en bij felle regen.

Bij een naderende tegenligger, als je binnen 50 meter achter iemand rijdt, of als de straatverlichting tot ongeveer 100 meter zicht geeft.

Slaag voor alle vragen over autoverlichting

Misverstanden over mistlichten achteraan en dimlichten in tunnels zorgen voor veel onvoldoendes. Mathieu legt elke uitzondering rustig uit in duidelijke taal.

Kies je pakket

Verder lezen: Snelheidsregels · Verkeersborden · Alle verkeersregels

Laatst bijgewerkt: juni 2026 · Inhoudelijk gecontroleerd door Mathieu, lesgever · Bron: de Belgische wegcode

Start gratis proefexamen